Buitenspeeldag

Buitenspeeldag.

Vandaag was het voor de kinderen buitenspeeldag.
Fijn want ik speel graag buiten.

Toen ik mijn kinderen vertelde dat we met de fiets zouden vertrekken naar een evenement in de buurt begonnen ze te morren en wilden ze tv kijken.

Toen ik hen wijs maakte dat er geen kinder-tv te zien was deze middag, ( Wat een leugen was, want al de Amerikaanse zenders bleven uitzenden deze middag. Kinderen denken dat alles tegenwoordig door Gert en de zijnen op ketnet wordt uitgezonden. Een fijne gedachte dat nickodinges, en zo, ook in zijn bezit zou zijn. Voor Gert dan toch. Die ‘Gert’ met zijn cruiseschip waar hij lekkere wijven en mooie mannen ontvangt samen met zijn vriend ‘?’… ‘Ach’ een sympathieke hyperactieve homo. Namen doen er eigenlijk niet zo toe als je dergelijk volk naar je schip kan lokken. )

Vroeger, ik spreek over een dertig jaren geleden, speelde ik met mijn vriendjes nog buiten op straat. Het was altijd gezellig in onze wijk. Een gezellige drukte zeiden ze vroeger.

Wij dachten dat we de straat onveilig maakten.
Onze ouders vonden het maar al te fijn dat we onze gezellige drukte buiten de besloten ruimte van hun pas gebouwde villa hielden.
Dat vonden we maar best.
We lieten elkaar in de waan.
Wij over de gezellige drukte.
Zij… Maakten zich eigenlijk nergens zorgen om.

Ik woonde in een buitenwijk van Brugge, aan de rand van de beschaving. Maar, eigenlijk, toch ook weer niet.
‘Hoe noemen ze dat ook alweer?’
‘Platteland.’
‘Juist ja, nu herinner ik het me weer. Het platteland’
Tegenwoordig komt men het maar zelden meer tegen dat platte land.
De boerenbuiten is een zeldzaamheid geworden in deze geciviliseerde wereld.

Ik woonde dus op het platteland. In een wijk die op de gronden van een oude landheer was gebouwd.
Een ‘oude heerlijkheid’ noemt men dat. Dat stond zo op het bijschrift op het bordje die het begin van onze beschaving aangaf. Ik wil zeggen het bordje met de naam van onze straat.
Tegenwoordig worden maar weinig bijschriften op naamplaatsborden gezet.

‘Een wat?’ Hoor ik u zeggen.

‘Een oude heerlijkheid.’

Eigenlijk wil het gewoon zeggen dat het gebied vroeger aan een adellijke familie had toebehoord.
De restanten van het voormalig kasteel werden bewoond door de Baron die met zijn kinderen uit armoe de oude paardenstallen had betrokken en van de oude duiventil zijn woonkamer had gemaakt.

Na de tweede grote oorlog was de adel in verval geraakt en werden hun gronden, die vroeger door pacht aan landbouwers opbrengst brachten, verkocht aan bouwheren die het landschap ingrijpend hebben veranderd door het baksteenslikkende Belgenvolk van hun centen te beroven. Die zelfstandigen toch? Altijd ad rem en bereid om een graantje mee te… te stelen en af te zetten.

Zij verkavelden de gronden en maakten er villawijken van.

In de jaren zeventig en tachtig was het leven voor jonge gezinnen nog betaalbaar en woonden er nog modale mensen in villawijken.

Tegenwoordig durf ik niet te beweren dat villawijken nog worden bewoond door de gewone mensen.

Met het woord ‘gewone mensen’ wil ik niemand bruuskeren of beoordelen.

Het feit is dat de wijk waar ik als kind heb gewoond ooit bruiste van het leven.
Tegenwoordig is het er maar een saaie boel geworden.

Eigenlijk is er op dertig jaar tijd veel verandering gekomen op vlak van sociale interactie in onze samenleving en het samenleven op zich.

In de wijk waar ik mijn beste jaren heb gekend bijvoorbeeld en waar het leven ooit levendig en speels was; is er maar weinig beweging meer te zien vandaag de dag. Zelfs vandaag heb ik er geen beweging gezien want ik kon vandaag niet bij mijn ouders langskomen omwille van de buitenspeeldag.

Soms kom ik nog wel eens langs bij mijn ouders of zo.
Die wonen nog steeds daar. Ze spelen niet meer op straat.
Dat deden ze in mijn kindertijd trouwens ook niet. Maar wij wel natuurlijk.

Naast ons huis lag vroeger , in de tijd van de sprekende dieren en zo, toen Jantjes nog pruimen plukten en Hieronymus Van Alphen nog een poëet was, een schapenweide. Met een heuse stal en zo.
Ook veel schapenstront lag er in die weide. Ja echt waar ik heb nog echte schapenstront gezien. Wonderbaarlijk vind ik dat.
Soms viel ik tussen de kudde in slaap terwijl ik genoot van hun zachte vacht waar ik mijn hoofd op liet rusten.
Ik spreek ondertussen ook bijzonder goed schaaps.
Talen leren is één van mijn lievelingsbezigheden. Al ben ik er niet zo goed in.

Er stonden toen in die tijd slechts drie huizen in onze straat.
De wijk was er zo eentje die met doodlopende straten eindigde.
Er was aldus weinig verkeer en veel sociale controle.
Wie er niet moest zijn viel echt wel op en werd meteen door de buurtpolitie, de wijkwacht en hoplr tegelijk buitengezet.
Toen ze onze Japanse nieuwe buurman niet hadden herkend zetten ze hem meteen ook buiten. Neen in die tijd werd er echt geen rekening gehouden met anderen. Zelfs niet met het cordon sanitaire die de regering had voorzien ter bescherming en instandhouding van onze democratische waarden.

De man is nooit meer teruggezien.

Nu zijn de belendende weiden verdwenen. De schapenstallen zijn grote mastodonten van bouwwerken geworden.

Veel leven is er in die bouwwerken niet te zien.
In de straat trouwens ook niet.

Er is echt wel een mentaliteitsverandering merkbaar in onze wijk.
Een soort angst om de kinderen de straat op te laten lopen, samen te troepen, kampen te laten bouwen, oorlogen te laten voeren en in de bouwwerven te laten spelen. (Die de laatste restjes natuur inpalmen.)

Een angstpsychose voor het gevaar van onze samenleving. En Terecht want samen leven is echt wel gevaarlijk.

De moorden op andersdenkenden zoals, Galileo Galileï, Marten Luther King, Mahatma Gandhi, Yitzhak Rabin, Pim Fortuin en de hele dodenlijst van het nageslacht van Cesare Borgia bewijzen dat het leven van onschuldige mensen in gevaar is.
Elke dag.

Vroeger speelden we graag in de wijk.
De buurt werd bebouwd door de gezinnen die er een stekje hadden gekocht.
De eigenaars van de percelen ,en de huizen die er werden op gebouwd, waren mild als we een kampvuur hadden gemaakt in een ruimte van de ruwbouw ( die later een badkamer of een wc zou worden).

Zo lang kinderen maar kinderzaken deden en zich uitleefden maakte het voor niemand niet erg veel uit.
Per uitzondering waren er wel eens bengels die schade hadden berokkend aan een pand.
De lieve vrede lostte dat probleem wel op.
De schade werd vergoed en het leven ging verder.

‘Die tijden zijn vergaan in de tijd.’
Denk ik vandaag.
Tijd? Hoeveel hebben we nog te goed? Hoeveel hebben mijn kinderen er nog te goed?

Moeten we kinderen dan geen kinderen laten wezen?

Zijn de tijden verdwenen of gewoon veranderd? Komen ze nog terug? Is dit de norm geworden? Zijn er nog waarden?

Is het waarheid als ik denk dat, decadentie en onfatsoenlijkheid, ons leven ,en dat van onze kinderen, is binnen geslopen?

Wie ben ik om een antwoord te bieden op al deze vragen die me te binnen komen? Als ik hoor dat kinderen moeten worden aangezet om buiten te gaan spelen dan denk ik dat ik niet waardig ben om deze vraag van antwoord te bedienen.

Uiteraard zeg ik wel dat de buitenspeelpraktijken een mooie bijdrage zijn van de openbare kijkbuis omroep.

Kinderen hoeven buiten te spelen.

Het zou dom zijn ,en een leugen, als ik beweer dat mijn kinderen makkelijk tot dergelijke vrijetijdsbesteding te bejegenen zijn.
Ik ga er niet mee akkoord om hen in de waan te laten dat de wereld beperkt is tot de televisie, hun computer of, hun interactieve telefoontoestel.

Ik probeer hen waarden en normen bij te brengen die me eigen zijn.

Hoewel ik ,vooral voor het schrijven, vaak op de pc bezig ben maak ik me boos als ze zich niet kunnen plezieren. Als de lente de zon in het land brengt. Het weer opklaart en de warmte hen uitnodigend toelacht om buiten te gaan ravotten.

Ik maak me geen zorgen om een vuile broek of gescheurd T-shirt.

Ook niet om de kidnapper die waarschijnlijk om de hoek staat te wachten om mijn kinderen te lokken met een snoepje.

De snoepjeskast is meestal niet erg rijkelijk gevuld bij ons thuis.
De vriendjes van mijn kinderen kennen bijzonder goed hun weg ernaar toe.

De kidnapper, als die er al zou staan, zou trouwens beter uit z’n doppen kijken met al die sociale klootzakken die van achter hun jaloezieën de straat zitten af te loeren bij gebrek aan betere bezigheid.
Sturm der Liebe duurt nu eenmaal niet de hele dag.

Daarbij. De oudere generatie heeft al lang de klassiekers van het Belgische literaire oeuvre gelezen.

Ik bedoel niet de werken van Hugo Claus, Felix Timmerman, Louis Paul Boon, Tom ( hoe heet die kerel van die kartonnen dozen alweer? ) Lanoye of, andere literaire meesters zoals een Harry Mulisch of zo.
Neen ik bedoel dat mensen niet geneigd zijn om een boek van Herman Brusselmans tot zich te nemen en zich nuttig bezig te houden met het lezen van werken die echt iets hebben te betekenen.

Het lezen van dergelijk werk is wel degelijk een excuus om kinderen uit je buurt te houden.

Ik heb weinig tijd om te lezen, zeker niet in boeken van Herman.
De kinderen nemen veel tijd in beslag als ze niet buiten kunnen spelen, en bovendien ben ik gedwongen om mijn resterende vrije tijd (vooral in de nachtelijke uren ), aan schrijven te besteden.

Af en toe doe ik wel wat moeite om wat in het gigantische werk van mijn literaire held te lezen.
Het beslaat ongeveer een vijfenzeventig tal boeken. Waarvan ik er zeker al vijf van heb gelezen.

Ik vind alle boeken van Herman goed.

Vooral zijn toneelstukken en dichtbundels vind ik fantastisch.

Ik ga ook vaak Paganini opzoeken om te keuvelen over hoe het met Herman is gesteld.

Paganini vind ik trouwens nog een merkwaardiger persoon dan Herman zelf.

Herman en ik zijn het daar sluitend over eens, daar wij vaak over Paganini zitten te keuvelen aan de bar terwijl we Perrier drinken of, ander water, aan de toog van zijn bar.
We vragen ons dan af hoe het met hem zou gaan nu hij ligt te slapen met zijn dronken kloten op de bakken bier in de kelder van de zaak.

‘Ja’ Herman, Paganini en ik hebben wel betere zaken te doen dan te lezen of, naar buiten te loeren naar spelende kinderen.

Ik wil maar zeggen. Er kijkt geen kat naar onze spelende kinderen.
Omdat ze gewoonweg niet buiten spelen.

Katten doen dat trouwens wel. Mijn hond werd gisteren het slachtoffer van een plassende kater. Ik wilde het beest nog met een gas boete beboeten maar het dier rende snel weg. Erg jammer zo’n dingen.

Onze kinderen zijn onderhevig aan grote gevaren zoals kinderverkrachters, negroïde personen en blanke rotzakken in maatpakken die zich aan schoolpoorten schuilhouden en zo.
Kwebbelende moeders en dergelijke ongure figuren horen ook tot dat soort dat onbetrouwbaar en onethisch gedrag in zich dragen.

Paganini vindt dat ook. Wat Herman ervan denkt? Dat weet ik niet.

Eigenlijk wil ik liever niet met Brusselmans in verband worden gebracht. Behalve dan het feit dat ik vijf boeken van hem heb gelezen en hem een goede en bekwame mens denk te vinden.

Kinderen onbeschermd tussen vreemde mensen laten opgroeien is gewoon not done.

Fijn vind ik dat want al doende komen er slechts weinig vreemde kinderen in mijn stulpje binnen.

De kinderen van de Turk op de hoek en de Neger die naast me woont lopen dan wel weer de deur plat.

Van de andere kinderen heb ik weinig last. Van hun ouders trouwens ook niet.
Ze praten maar zelden tegen mij.

Ik versta het wel want ik ben waarschijnlijk een vreemde voor hen.

Ik ben een beetje een Turk en een neger tegelijk. Ze moeten echter niet bang zijn dat mijn kinderen hun deur zullen plat lopen. Mijn kinderen spelen lekker binnen met negers en Turken.

‘Heb ik iemand geraakt?’ Het was niet persoonlijk, maar wel zo bedoeld.

Nu ga ik lekker door met schelden op mijn kinderen dat ze met hun vreemde vriendjes buiten moeten gaan spelen.

Buitenspeeldag is een fijne dag als je lekker binnen zit.

Advertenties
Categorieën: VolwassenwordenmetADHD
%d bloggers liken dit: