Icarus

Met het lengen van de dagen en het komen van de zon, komt ook de zin om productief te zijn en met enige constructieve zaken voor de dag te komen.

Het kriebelt om te kunnen werken, om creatief te zijn, te scheppen, af te breken, dingen in vraag te stellen, te dichten, te schrijven, te helpen, te verzorgen.
Om steeds alert en bij de pinken te zijn.

Na de donkere dagen ,die koning winter ons heeft gebracht.
De kilte, de vrieskou en stille donkere avonduren is de zon weer welgekomen om ons hart te verwarmen.

De herhalingen van ‘de kampioenen’ en ‘de kotmadam’ komen er aan.
Tijd om naar buiten te komen dus, en ons aan terrasjesbezoek en strandwandelingen te laten gaan.

De lente brengt de wereld tot leven. Ook ik kom terug bij de levenden en laat alles achter me. Ik tracht toch om net als alle anderen de lentekriebels toe te laten om me te inspireren en te motiveren. Na de herfst en de winter een nieuw leven te beginnen.

Het leven als schrijver, artiest, spreker, dichter, wie weet waar de zonnestralen me zullen heenbrengen? Ik laat me in vervoering brengen.

De toekomst? Het is allemaal nog onzeker, mijn nieuwe weg staat momenteel in zijn kinderschoenen. Onzeker begeef ik mij op pad.

De rompslomp in de administratieve molen waar ik in ben terechtgekomen blijft aanslepen. Het maakt me onrustig en brengt momenteel weinig bij aan mijn leven op financieel vlak.

Ik geef eigenlijk maar weinig om geld en materiële zaken, maar net als een ander is het onontbeerlijk voor mij en vooral voor mijn gezin.

Ik zou een buffel kunnen neerschieten en hem villen om een warme mantel van te maken. Zijn vlees te pekelen en zijn botten splijten om vishaken van te maken…

De prehistorie is voorbij.

De situatie waar ik ongewild ben in terechtgekomen vreet aan me. De energie barst uit zijn voegen en de creatieve impulsen zijn onbedwingbaar. Ik moet echter geduldig wachten.

Wachten. Ik kan niet wachten. Geen seconde, geen minuut, geen uur. Ik kan het niet en loop te ijsberen, te denken, te fulmineren.

Ik sport. Fietsen. Ik fiets mijn tere longen uit mijn lijf. Ik loop. Van hot naar her. Ik dans. Maar niet van vreugde. Ik zing. Mijn lied is treurig en triest. Ik hoop. Ik schrijf. Ik dicht. Ik hoop dat de zon poëzie voor me zal schrijven. Ik loop verder. Op de weg die ik ben ingeslagen.

Ik zit op het goede spoor. Een trein is er echter niet om mij op mijn bestemming te brengen.
De Oriënt expres bestaat alleen in mijn gedachten.
Toch volg ik het spoor.
Een sporenzoeker ben ik.
Ik zal het altijd blijven.
Zoekend tot ik gevonden heb wat ik vinden wil.

Ik zit op de molen van de administratie. De molen die ons draaiend houdt. Ik wil springen maar vind geen vangnet om veilig te landen. Ik zet mijn ogen open, scherp, ik vind de moed en vind het net.
Ik spring in ondiep water.

Ik zwem.
Ik kan behoorlijk zwemmen.
Dat weet ik dus ik ben niet bang.
Als ik onderga dan brengt de stroom me wel weer boven.
Ik laat me meedrijven met de stroom, de zon, het leven.
Ik kom boven , ik leef.

Een zee van leven, een nieuwe horizon.
Met volle kracht geniet ik van de adem die in mijn lichaam komt en het bloed met volle teugen door mijn aderen weer pompt.

Ik ben hier.
Ik ben daar.
Ik ben er.
Ik ben er niet.

Onzichtbaar en luid zing ik mijn lied.
Onhoorbaar aanwezig ben ik.

Ik kom er aan maar men weet het niet.

Een ballade zal ik schrijven.
Over wolken wil ik drijven.

Ik scherp mijn potlood en neem mijn gom.
Verleden tijden wis ik uit mijn geschrift.
Een nieuw verhaal,
een nieuw gedicht.

Er was ooit eens.

Dit zal geen sprookje zijn.

Een nieuwe strofe in een gekreukt schrift.
Ooit beschreven met trieste woorden.
Enkel de diepe halen van de griffel en de kreuken van de tijd,
verraden de sporen van een niet zo’n ver verleden maar niet vergeten strijd.

Het maakt niet uit wat ik denk. Enkel wat ik doe wat ik denk.
De rest hoeft een ander maar te denken, ze doen toch maar steeds wat ze denken te doen zonder na te denken.
Ik vergeef hen.
Wat maakt mij dat uit. Het is mijn verdriet niet meer. Eigenlijk is het dat nooit geweest. Gevoel is relatief en van voorbijgaande aard. Mijn gevoelens zijn sterk en komen als donderslagen op mij af als bliksemschichten door mijn neuronen komen ze en aarden zich.
Een onweer blijft echter zinderen en verandert het landschap onherroepelijk nadat ze de grond heeft geraakt.

De sporen van erosie, het beuken van de wind, de orkaan die mijn leven heeft getroffen is enkel nog een zeebries terwijl ik daar drijf in de zonnige warmte op de deinende oceaan.

Het KMI kan niet voorspellen hoe het verder zal gaan.
Ik zwem verder naar de kust en zet vastberaden voet aan wal. Langzaam kruip ik de heuvel op, weg van het diepe dal. Wie hoog heeft willen vliegen kan laag vallen. Vliegen doe ik niet. Als ik de top zal bereiken dan zal ik de wereld zien. Hoger hoef ik niet te geraken.

Icarus had grote dromen. De zon brengt warmte maar je kan je er aan verbranden. Aan het strand blijf ik niet liggen als ik ben aangespoeld.

De rivier waarin ik ben verdronken zal ik niet mijden op mijn pad. Ik weet dat ik terug zal stranden waar ik beginnen moet.

De rivier zal ik bedwingen en ik laat het mijn leven bevloeien zodat het groeien zal.
Iedereen mag meegenieten van de oogst die het zal brengen.
Vanop de heuvelrug zal ik beschouwen wat ik met heel veel moeite geschapen heb.
De meanderende rivier brengt nu anderen ten val.
Ze zullen wel boven komen drijven als ze zich niet verzetten denk ik.

Ik lach en denk hoe zalig het was om de heuvelrug te beklimmen en te rollen naar het dal, om te leren hoe een rivier altijd verder stromen zal.
Om te denken en te voelen hoe de seizoen telkens komen om dan weer te gaan.

Om te weten dat het boven op de heuvel ook voor mij zomer zal worden omdat ik, in de winter van mijn leven , rustig en tevreden terug neer zal dalen. Naar mijn dierbaren op het strand zal kunnen gaan.

Rustig wandel ik verder.

Ik neem mijn pen ter hand en schrijf. Een droom. Een realiteit.

Hoe duaal is het leven?

Hoe pijnlijk kan gelukkig zijn?

Hoe pijnlijk zal ik de mens worden die gelukkig zou willen zijn.

Ik herlees mijn tekst en ben tevreden.

Meer moet het niet zijn om langs de wegen te flaneren op weg naar de heuvelrug.

Ik kom er wel als ik dat wil.

Ik wil er komen.

Verder dromen.

Advertenties
Categorieën: columnTags: ,
%d bloggers liken dit: