Kampioenenbal op pinkstermaandag.

Brugge anno 2018,

Breydel en Dekoninck maken zich op voor het zoveelste evenement op hun plein dit jaar.

Pinksterweekend. Pinkstermaandag. Sienksenmoandag.

De stad vult zich langzamerhand met de eerste uitgelaten toeristen die net uit hun bussen zijn gelost of, hun hotelkamer hebben omgeruild voor de chaos van de Brugse binnenstad.

Er zijn maar weinig vurige tongen te zien dit jaar.

Dat is het eerste wat mij opvalt als ik om een uur of tien via de katelijnebrug de stad binnen kom gereden.

Communiezieltjes zijn er  nog maar weinig te zien dezer dagen.

Vroeger vielen ze als rijpe trossen in de bosjes te rapen.

Mooie plaatjes van vreugdevolle jonge knapen en preutse jonge meiden werden toen genomen in de uitgelezen schoonheid van het Venetië van het noorden.

Vervlogen tijden, nieuwe dagen, een nieuwe tijd.

Het begijnhof ligt er kaal en verlaten bij. De paaslelies zijn verdwenen net als de communicanten.

Een eenzaam gezin (met een uitgedoste zoon) luidt vanop de bok van een koets de ‘last post’ voor een traditionele hoogdag.

Warempel nog één vurige tong die het aandurft zijn naam in de palm van een hand te leggen.

En op de bok van een koets.

Terwijl de fotograaf kiekjes van hem neemt in zijn adamskostuum.

Tegenwoordig voel ik me ook erg naakt als ik openlijk voor mijn Godsdienst uitkom.

Niks verkeerd mee? Toch?

Het is niet meer evident om te zeggen dat je ergens in gelooft. Al was het in jezelf.

Vandaag had ik dus maar weinig ‘pinksteren’ gevoel.

Het weekend voelde aan als een weekend net zoals alle anderen dat zijn. De vrouw is gaan werken, de kinderen thuis.

En ik zit me op te winden, zoals ik gewoonlijk doe, op iedere andere dag in mijn leven.

‘Ooohhh’, Wat denk ik de laatste tijd met heimwee terug aan de onbezorgdheid van mijn jeugd.

‘Ik wil terug naar de kust’, naar het strand van Blankenberge of Ameland, naar Amsterdam, misschien Marseille als het kan.

Het maakt me alleen nog ongeduriger.

De drang om de brui aan dit klote dorp te geven is sterker dan ooit.

Ik laat de gedachten liever varen met de westenwind.

Ik liet inmiddels de kerk in het midden staan en laat hem vervolgens links liggen.

Ik neem mijn stalen ros uit zijn stal en rij verder de binnenstad van Brugge in.

Brugge heeft de vorm van een hart. Dat is uit geografische kaarten en mappen duidelijk af te lezen.

Of Brugge echt een hart heeft? Daarvoor moet je bij de bisschop wezen.

Over harten kan ik weinig meer zeggen dan dat ze kloppen. Weinig kan een bisschop daar tegen in brengen. Mijn dokter zegt ook dat dat klopt.

Ik laat dus ook de Heilige-Geeststraat en het Bisdom liever links liggen en rij de pijpersstraat, richting markt, in om bij Jan en Pieter wat rust te zoeken.

Helaas. Ook de rust was ondertussen van onder hun sokkel verdwenen.

Pal voor hen staat een gigantisch podium waar deze middag de spelerskern van club Brugge K.V. hun kampioenenbal zal  komen inleiden.

Een tiental supporters zit reeds pinten te hijsen en ze werpen hun blikken in de richting van de paal met het bordje waar een boodschap op staat geschreven ‘afval hier’.

Voetbal is altijd een beetje een feest als je kampioen bent geworden. Weinig redenen vind ik om te juichen en te staan springen.

Wat ik wel zie is evenzeer wonderbaarlijk.

Een regen van blauw en zwart, tinten van grijs en wit kleuren (tegen de middag aan) de straten.

Rust heb ik nog steeds niet gevonden. Doch ik vind dit van minder belang dan de feestvreugde die er zal heersen.

Slogans klinken als donderslagen en vullen de ijle lucht.

Klanken van gezangen en liederen weerklinken als blikseminslagen luid en krachtig alsof ze door Thor zelf worden gezongen.

‘Geen zweet geen overwinning’, ‘Wij verdedigen onze kleuren en zullen ons domein blijven verdedigen’ ‘Een gezond mens in een gezond lichaam’.

De lijfspreuken slaan de vreugdetrommen, in talen van Latijn, Grieks en gebroken Engels hevig aan.

Van Engels voetbal had ik dit seizoen nochtans weinig ervaren. Ik dacht al dat ze de boot uit Dover hadden gemist dit jaar.

Ze zijn zelfs, bijna letterlijk, de mist in gegaan toen ze zich door de leliaards bijna lieten inpakken, die Club van ons.

Florence had toen bijna haar verbanddoos moeten bovenhalen.

Neen, niet die Florence met haar Machine. Die kraamt enkel Welche klanken uit haar keelgat.

Een echte nachtegaal bedoel ik.

‘Ja die Florence.’

Nightingale met haar witte jurkje aan. Of zie je het verband dan niet?

‘Dat hier een feestje aan de gang is zou je zo op het eerste zicht niet zeggen.’ Denk ik nog. Ik denk na over de fuifjes toen ik me nog liet inspireren door Baden – Powell en zijn scouts.

Toen was ik nog een groentje.

Sommige supporters zien eruit alsof ze echter een blauwtje hebben opgelopen.

Wat doet het er ook toe op scoutfeestjes? Of je ze nu binnen doet of niet. De muziek en het dansen maakt de avond onvergetelijk.

Niet de kortstondige wip op de speelweide.

De slingers en de ballonnen zijn waar het echt om draait. De blauw-zwarte sokken waarmee de broek op je enkels je kuiten kleurt.

De kaalgeschoren hooligan met zijn hoofd tattoo kan mij niks maken. Ik zet hem zo te kakken als ik hem , broek op mijn enkels, met mijn blauwe sokken aan, in z’n kont beuk.

Figuurlijk bedoel ik dan.

De enige reden tot feesten is dat onze ploeg het kampioenschap niet verloren heeft.

Dat hebben de talrijk opgekomen vaandeldragers blijkbaar ook wel door.

Het bier, (dat aan veel te hoge prijzen van de hand wordt gedaan), kan hen ook wel in euforie brengen.

Ik koop een blikje bier en stap beleefd, nadat ik het een agent heb  gevraagd, de bewaakte zone binnen.

‘Blikjes werpen kan ernstige schade toebrengen aan kaalgeschoren schedels.’ Denk ik. Ik loop maar door. Middendoor, recht het hart van Brugge binnen.

Ik drink netjes mijn drankje op en deponeer het metalen wapen in een vuilnisbak.

‘Afval hier’

Ik werp nog snel een blik op de kerel met zijn kale kop.

Ik nam niet voor niets een camera mee in plaats van een knuppel. De tijden van voetballertje klop zijn voorgoed verleden tijd.

Mijn fiets heb ik laten staan op het dorpsplein, toen ik door een man met roze pullover vriendelijk werd aangemaand om de straat aan de winnaars over te laten.

Brugge is echt fietsonvriendelijk vandaag de dag.

Met wielertoeristen wens ik mij niet te identificeren.

Er zit maar één ding op en dat is met de stroom mee te varen en te juichen en te gillen voor de club in ons Brugs hart.

De enige club van’t stad.

Club Brugge KV.

Blauw-zwart. ‘Mens sano in corpora sana’ ,‘Since 1891’, ‘F.C.B’, Gin zwit gin glorie…

‘Club Brugge kampioen van het seizoen 2017-2018.’

Ik feest vreugdevol mee en keer tevreden huiswaarts nog voor Thor zijn muziek laat klinken over het donkere tranendal.

Je zou voor minder op je trom roffelen als je naar het Belgische voetbal kijkt.

Naingolain gaat niet mee naar Rusland en ik geef de Goden gelijk.

Laat de bliksem over Martinez komen. ‘Forza’ Roma.

Let the rain fall down on me.

F.C.B. forever in our blue minded hart.

Advertenties
Categorieën: columnTags: , , , , , ,
%d bloggers liken dit: