Reflectie over een dorpsmentaliteit.

Een dag in Kemelgem: 

Als de zondagsmis ten einde loopt steken de dorpelingen massaal de straat over richting de plaatselijke kroeg op het hoekje van het kerkplein.

Elke zondag. Na de plechtige Heilige dienst zakken zij massaal af naar het betreffende café.

Ook op andere dagen is dat zo. Elke dag heeft wel een aanleiding om getrouw richting de kerk te gaan, om dan af te slaan op de hoek van het plein en de deur van het staminee binnen te treden.

Na de preek en de communie op zondag zakken de meesten al af. Nog voor het einde van de dienst waar ze zalig en in vrede worden teruggewenst van waar zijn gekomen.

Dat is meestal terug naar ‘Vuile Ria’ de uitbaatster die op zondag extra vroeg haar deuren opent voor de kerkgangers die er zich komen voorzien van een verzetje alvorens de aanvang van de Heilige mis.

Na zijn zondagse plicht komt ook mijnheer pastoor zijn volgelingen vergezellen nadat hij, een enkele, biecht heeft afgenomen.

‘Bruine Pierre heeft weeral eens zijn wijf afgerost’ en komt er getrouw zijn zonden biechten om tot vergeving ervan op café te kunnen gaan en zonder zorgen kan beginnen om zich, naar dagelijkse gewoonte, opnieuw te gaan bezatten.

Nadat hij zijn soutane heeft opgeborgen in de pastorij, en de misdienaar de resterende miswijn heeft opgedronken tijdens het vullen van het tabernakel. Dan komen de dienaars van het kerkinstituut, na hun verboden liefdesspel in de bescherming van de schaduw van Gods toren ook even binnenwippen.

Vandaag is ‘Bruine Pierre’ met zeven weesgegroetjes en drie onze vaders op zijn zielenheil het café binnen gestrompeld en drinkt reeds zijn straf weg met een Kamelenbiertje. Het plaatselijke exportproduct met een alcoholgehalte dat niet te onderschatten is.                             

Het bier smaakt naar geronnen zeik maar doet je meteen naar hogere sferen stijgen. (Dat liet ik mij toch ooit eens vertellen.)

Meestal kan zeikbier, vooral afkomstig uit Hollandse contreien, weinig sferen doen bereiken. Uitzonderlijk misschien de sfeer van een stinkend toilet met een plee waarover men moet gaan kotsen. Enkel de flauwe smaak van urine blijft een wrange nasmaak afgeven tijdens de afdronk. –

Ondertussen, als de heer pastoor en zijn trouwe dienaar de zaak komen binnengetreden vloeit het gerstenat reeds rijkelijk in de kelen der parochianen.

Bolle. Ook wel ‘zwakzinnige Pjotter’ genoemd zit naar zondagse gewoonte moppen te tappen aan de toog. Tot grote hilariteit van zijn omstaanders die niet eens door hebben dat het wel de duizendste maal is dat ze naar zijn zwakzinnigheid zitten te luisteren.

Na de zoveelste consummatie dooft zijn kaars wel uit samen met het tanend gelach van zijn aanhoorders, die de moppen alweer zijn vergeten, of, gewoon niet hebben begrepen en aldus maar wat mee lachen met de rest der idioten.

Zo gaat dat nu eenmaal op een zondagmorgen in de kleine dorpjes op het platteland. Iedereen wil delen in het plezier en niemand wil minder zijn dan de ander is.

Kemelgem is een idyllisch dorp gebleven zoals men ze nog kent uit de verhalen van Ernest Claeys en Felix Timmermans die personages als ‘De witte van Sichem’ en ‘Pallieter’ tot leven lieten komen. Schrijvers brengen vurig het leven in de mensen. 

Niemand die nog klassiekers leest en het Vlaamsche leven in een boerendorp wordt stilaan in de vergetelheid van de nagedachtenis van een verloren tijd in een vergeethoekje weggestoken. Het onderwijs in Vlaanderen is dringend aan een hervorming toe.

Kemelgem is een dorp dat gevrijwaard is gebleven van de evolutie van het Vlaamse land.

Enkel de kerktoren en het gemeentehuis staan er statig te pronken tussen de omliggende volkshuizen die in een cirkel rond het kerkplein en het gemeenteplein liggen. Van lintbebouwing is er nog geen sprake.

Geen stadluis die eraan denkt om zich in een dorp als Kemelgem te gaan vestigen. Zelfs de grote bouwheren houden hun handen ver weg van het dorp waar nauwelijks iets te beleven valt.

Niets is echter wat het lijkt.

Schijnbaar valt er niets te beleven in de saaiheid van een door de Lieve Heer vergeten stuk weiland ergens in de beslotenheid van het platteland.  Toch is Kemelgem een bruisend dorp. Een kleine maatschappij die zichzelf draaiend houdt. De schijn bedriegt en niemand die de kermis ziet.

Alles kan je er vinden. Het dorp telt een honderdtal inwoners van allerlei pluimage, leeftijden, geuren, kleuren en voorzien van verschillende uiteenlopende intellectuele vermogens .

Er is een heuse bakkerij. Een echte bakker met een bakkersvrouw die zelfs patisserie en allerhande gebak aan de man brengt. De bakker werkt ‘s nachts en neukt zijn vrouw elke dag voor hij de bedstee opzoekt en zij de winkel voor zich neemt, alsook de achterkamer van de bakkerij. Ze hebben vijf koters op de aardkloot neergezet door hun konijntjesgedrag.

Een beenhouwerij met een echte slager die zijn koeien, schapen, zwijnen en kippen zelf kweekt op een gepacht perceel landbouwgrond waarvoor hij veel te veel betaalt. De fijne vleeswaren zijn ambachtelijk en smakelijk en van veel vet voorzien. Ook zijn vrouw met een verslaving aan worst zit goed in het vet. Haar verslaving gaat niet enkel uit naar droge worstjes. (Als je n’em vat?)

Af en toe vliegt er wel eens een slagersmes door de woonkamer maar er waren (gelukkig) nooit dodelijke slachtoffers van gekomen.

(Alhoewel de jongste Pallieter soms wel eens liever dood dan levend zou willen worden aangetroffen. Hij neukt in zijn hormonale puberdrift alle meiden van het dorp in hun poes. Hij heeft zo’n slagers charisma en de woordenschat waar zelfs de verstomming bij de grootste demagogen zou doen toeslaan als ze zijn spreektalenten zouden aanhoren. Neen hij gebruikte geen zinsneden zoals daar zijn bvb ” De hemel moet wel een engel missen.” Hij probeerde zelfs vaak eerst de moeders uit die zich aan zijn onbedwingbare lust tot puberaal gedrag lieten verleiden.)

Echt de genen van z’n moeder heeft hij meegekregen. Casanova is zijn bijnaam geworden. Zijn moeder profiteerde ervan om de boze vaders, van de aangerande dochters en desgewenst eveneens hun echtgenotes of, minnaressen, ter wille te zijn om in natura de zonden van haar jongste zoon te laten vergeven. Haar noemen ze gewoon “De slet”.

Er is zelfs een kruidenier die wordt uitgebaat door een familie Pakistanen gevestigd waar je alles kan krijgen tot aan de betere hasjpijp toe. Ze worden niet gediscrimineerd. Hun wiet en hasj is steeds van goede kwaliteit, zelfs de opium onder de toog is een  uitzonderlijk preparaat. De couscous, de raz- al-hanoud is er gemaakt van heerlijke kruiden. Zelfs appels, bananen, druiven en kokosnoten kan men er kopen. En sigaretten van Turkse makelij zonder taks. De kruideniersfamilie die ongeveer veertig leden telt wordt graag gezien voor hun goede producten en de uitmuntende service van hun verschillende familieleden. Het is een goed draaiende zaak en de familie is er echt graag gezien daar in Kemelgem.

Er staat zelfs een school met echt onderwijs. Met boeken en schriften en zo. Ook een ravissante lerares die menig mannenhart iets harder doet gaan in het ritme van het kloppen van zijn geile en aan adrenaline onderhevige bloedstroom. Niet enkel het geklop in hun hart. Ze is echter getrouwd met een rijke boer die renteniert door zijn land te verpachten aan woekerprijzen. Bovendien is ze, ondanks haar schoonheid een erg frigide vrouw die moeilijk warm te krijgen is voor een afspraakje in het plaatselijke b,en,b hotelletje aan de rand van het dorp. Het bordeel dat door niemand is gekend maar door velen wordt bezocht.

De veertig kinderen van de familie paki’s rulen er de plak en iedereen op school spreekt zo’n beetje met een Pakistaans accent. Ze voerden ook een soort politiek van geld in ruil voor bescherming en zo. je kent dat wel van die ondeugende kwajongensstreken. Echt geen pesterijen of, zo. Een beetje jennen noemen we dat. Pesten is door de ketnet-actie van de aardbol verdwenen.

Heel erg goed voor de aan zwakheid onderhevige inwoners van Kemelgem, die hen graag betalen², om niet door een Pakistaan of, een fascist, in elkaar te worden geklopt.

Zelfs een heuse dokterspraktijk is daar in het dorpje aanwezig. De dokter, de enige arts in de ruime omgeving, is een Rus. Een Mongool die in Siberië school had gevolgd en vervolgens stage had gedaan in Pjetropavlovsk Kamtchatsky. Een uithoek van Rusland waar uitstekende Beluga kaviaar te verkrijgen is en van die grote King krabben. Zijn diploma was gelijkgesteld door de commissie van schone schijnen, die jaarlijks in Kaviaar en krab worden beloond voor hun diensten. Doktersbriefjes kostten bijna een habbekrats maar de medicijnen moeten wel in, het nabijgelegen, Oost- Kemelgem worden opgehaald bij de zus van de arts, die er een apotheek had geopend. De enige apotheek in een straal van dertig kilometer.

Kemelgem is echt een postmoderne stad zoals je ze vroeger enkel kon vinden op het Vlaamse platteland.

De apothekeres van Oost-Kemelgem is echt wel toevallig de zus van Dokter Primasjof, Apothekeres Primasjaf.

-In Rusland wordt er zelfs in eigennamen naar hartenlust taalkundig aan vervoeging gedaan. Of, Russen een neiging hebben om aan inteelt te doen? Dat weet ik dan echter niet.-

Een toevalligheid dat de broer en de zus van Siberische origine elkaar op deze plek in Vlaanderen op een boogscheut van elkaar hebben teruggevonden.

Toevalligheden, ze zijn toch soms een wonderbaarlijk iets.

Het dorp tussen korenvelden en boomgaarden met fruitbomen en, op de licht hellende flanken van de streek die het voorgeborchte van de Vlaamse Ardennen inleidden. Wijnranken netjes op een rij geplant in de wijngaarden die tijdens droge zonnige zomers voortreffelijke wijn voortbrengen. Precies een idyllisch tafereel dat zo uit een schilderij zou kunnen zijn geplukt.

De dorpelingen, zo’n negentig procent idioot en neigend tot een soort intrinsieke debiliteit, leeft er een zorgeloos en onbekend bestaan. Eigenlijk is Kemelgem een dorp waarvan je zou denken dat er zo danig weinig te beleven valt dat er niets over te vertellen is.

Niets is minder waar als het over Kemelgem gaat, een dorp dat je niet eens op een stafkaart zou gaan opzoeken, laat staan op google maps, of, zelfs een vermelding erover zou gaan zoeken op Wikipedia.

Laat staan dat er een mens zou zijn die het in zijn hoofd zou halen om er een passage zou maken per, auto, koets, fiets of, zelfs te voet.

Je zou het zelfs mijden op weg naar de nabijgelegen stad op een aantal kilometers van het verloren gewaande dorp.

De dichtstbijzijnde stad is een aaneenrijging  van huizen, in typische jaren vijftig stijl, in een lintbebouwing die doorheen de naoorlogse jaren, toen de welvaart wederkeerde, en de jonge mannen er school gingen lopen, gingen sporten, samen kwamen hokken om dingen te doen die naoorlogse jongeren deden, waren samengekomen in een grote fusie van dorpen en gemeenten en vervolgens een stad zijn geworden.

Er werden van die torenhoge flatgebouwen neergeploft op de plaats waar ooit de lanen en velden lagen waar waterwilgen, brem, en bloemenweien het landschap doorkliefden en inkleurden.

Door de jaren heen, met het verlopen van de tijd en het ouderen van de jongeren, het baren van nieuwe generaties nutteloos addergebroed, werd er een heuse stad opgebouwd.

De stad was op historisch vlak werkelijk een nutteloze en betekenisloze verstedelijking van het Vlaamse land. Nu was het dat nog steeds.

Geen enkele gebeurtenis van enige waarde, geen enkele belangrijke personen die de stad konden doen opwaarderen door een opmerkelijke prestatie van betekenis, op geen enkel levensdomein. Geen gebouwen of, architectuur had de stad in de loop der jaren enige betekenis, aanzien, eer, noch bekendheid kunnen schenken.

De stad die bevolkt wordt door hangjongeren, die nutteloos zitten te wezen en enkel de stad vullen in een waas van dampende marihuana rook, met een zurig aroma, zijn er even nutteloos, zielloos en betekenisloos gebleven als in het naburig gelegen Kemelgem.

Een grote gigantische drol op een aardappelveld dat door de boeren voor een prikje in percelen werd verkocht aan de rondneukende bevolking die de vergrijzing van een Vlaams boerengat in gang had gezet, en dat ook bleef doen tijdens de talloze jaren die daarna waren gekomen. Nu nog steeds baarden ze, en baarden ze als ware het een fokkerij van kinderen die beter op Spartaanse wijze eigenhandig van kliffen zou moeten worden geworpen vanwege hun nutteloze toekomst en hun falende ontplooiing tot wasdom.

Kemelgem was doorheen de jaren enkel door de vrij grote ruimte tussen het dorp en de stad gevrijwaard gebleven om opgeslokt te worden in de grijze stenen massa en de hersenloze mensen die er resideren.

In feite is er sinds de tijd dat Timmermans en Claeys het Vlaamse land en zijn pallieters, rabauwen, ketjes en aanverwante duupjesfiguren leven hadden ingeblazen weinig verandering gekomen in het typische Vlaamse leven op de rand van de samenleving in de dorpjes, gehuchten en boerenhoven in het land ter grote van een jonge erwt. (En dat is nog enkel op Europees niveau bekeken.)

Neen Vlaamse boerensteden, dorpen en gehuchten zijn nog steeds een kei in de kunst van de stilstand op elk levensgebied.

Elk oord van leven heeft er z’n eigen kerkplein, gemeentehuis, café, en een marktplaats waar op woensdagen en zaterdagen de nieuwste, sappigheden uit de intimiteit van hun mede-dorpelingen wordt besproken en gedebatteerd over hun kinderen en kleinkinderen die allen wel een soort aanleg hebben die tot superieur gedrag op wereldniveau kan worden herleidt. De kinderen in Vlaanderen hebben volgens velen een uitstekende aanleg om toptalenten te worden in hun specialiteit. Vooral rondhangen is erg populair dezer dagen.

Elk oord met een eigen Burgervader die paradeert tussen zijn kabinet en het plaatselijke staminee en werkelijk tussen de mensen woont en in zijn toegewezen secretaressen, tot de secretaressen in kwestie uitgewoond zijn. Mannen met baarden en snorren en gewichtige dossiers onder de arm en een enorme joekel in hun broek.

Hun woorden die als muziek melodieus uit hun monden komt als de stem van een zingende sirene op een klif. Bedwelmend mooi en groot van spraak. Woorden die zo uit het Latijnse woordenboek komen in de binnenzak van hun colbert en de illusie over de hoofden van hun kinderen doet komen.

Grote daden worden hen toegeschreven en hun portretten en standbeelden pronken in de statige bouwwerken die hen worden toegewezen en op de pleinen staan die hun namen waardig op groene borden dragen in sierlijke witte letters.

Elk oord met zijn eigen begrafenisondernemer met het aanzien van een heiige die daden verricht van profetische omvang en zijn grenenhouten doodskisten veel te duur doorverkoopt aan de familieleden en dierbaren nadat hij hun gouden ringen, juwelen en tanden vakkundig heeft doen verdwijnen in zijn kluis in de vorm van een roze urne die in de etalage van zijn crematorium pronkt maar nooit verkocht wordt door de lelijkheid die er van uitgaat.

Elk dorp in het Vlaamse platte land is onderhevig geweest aan een enorme vorm van conservatisme.

Elk dorp heeft nog steeds een café dat ‘Onder de toren’ heet met een ‘Vuile Ria’, een ‘Bruine Pierre’, een pastoor met een misdienaar die de kelder leegt, een Burgemeester die van het café zijn kabinet heeft gemaakt. Een slager die zijn vrouw met messen probeert te raken. Een bakkerin die de hoer van het dorp is. Een jong heeft rondlopen dat de hele meisjesschool in hun kutjes probeert te nemen.

Elk dorp heeft een eigen brouwerij waar bier wordt gebrouwen dat naar zeik smaakt en veel te sterk is om op te zuipen.

Elk dorp in dit Godvergeten Vlaamse land, elke kleine stad, elke grootstad is een grotere versie van Kemelgem.

Kemelgem is de weerspiegeling van een maatschappij waar dezelfde dynamiek heerst, een spiegel van het kleine Vlaamse boerendorp die zich onzichtbaar tussen Jan modaal in deze maatschappij heeft genesteld. Kemelgem is uw dorp, uw gemeente, uw stad, uw land.

Het is uw geld dat na de communie of, na het werk aan de handen van ‘Ria’ blijft plakken. De helft gaat naar de Burgervader, het stoelgeld naar de pastoor, en je plakje blijft achter in de achterkamer van de bakkerij.

De brouwerij is de enige die verder iets aan u verdient buiten ‘Ria’ en de Burgervader die het op een akkoordje hebben gegooid. Elk de helft.

Jouw geld komt steeds en altijd in Kemelgem terecht in dat café onder die kerk. In de handen van de brave Vader, de herder en de hoeder van zijn dorpelingen.

Een dorp dat niemand kent, een dorp waar we allen in een grote bocht omheen lopen. Een bocht omdat we Kemelgem niet op de kaart hebben zien staan. Voorbij gegaan tijdens het lachen met de moppen van ‘Bolle’ ‘De zwakzinnige Pjoter’. Het bier dat onze blikken wazig heeft gemaakt.

Het dorp dat smalend België wordt geheten en waar we samen in leven. Hier en nu terwijl u deze onzin leest.

 

Advertenties
Categorieën: ADHD en creatief schrijven, column, VolwassenwordenmetADHD, Wees jezelf, wat denk jij over dit themaTags: , , , , , , , , , , , , , , ,

4 gedachten over “Reflectie over een dorpsmentaliteit.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

%d bloggers liken dit: