Vrijdagen

Een vrijdag in mineur.

Ik ontwaak uit een diepe droom met het besef dat de meeste dromen ergens in het onaantastbare bedrog liggen dat dromen steeds met zich meedragen.

Al vloekend rol ik mijn bed uit en maak van mijn vloek een lied. Niemand die mijn kwaadheid ziet omdat het vandaag vrijdag is. De hele dag lang zal het vandaag vrijdag zijn. Meestal is dat zo op vrijdagen. Ook op andere dagen is dit meestal zo. Dat vind ik heel erg eng. Eng in de zin van ruimtelijk, inhoudelijk, maar ook in de zin van beangstigend. Een dag duurt over het algemeen vierentwintig uur. Ik vloek op de idioot die ooit beslist heeft dat een dag godverrekte vierentwintig uren moet tellen. Veel te lang naar mijn zin. Soms ook te kort. Ik beslis nog steeds zelf hoe lang mijn dagen duren. Het is maar een gedacht. Ontsproten uit het niets.

Toch is het vandaag de hele dag vrijdag en ik vervloek nog steeds,de aan mijn slaperige idiote, gedachtegang dat vrijdagen kut zijn omdat die de hele dag vrijdag zullen zijn zolang de dag zal duren.

Net zoals ik elke andere dag vervloek. Ik vervloek dit universum dat ver van mijn dromen is gelegen. Mijn lied over het leven. Niemand, geen kat die de inhoud ziet, ze luisteren al lang niet meer naar een vervloekte zanger op een godvergeten vrijdag. Toch blijf ik zingen als een microlikkende kuttige Vlaamse zanger die zijn lied laat schrijven door een songwriter. Zijn hoofd leeg evenzeer als zijn lied over niets. Een zanger zonder eigen tekst.

Toch bewonder ik enige Vlaamse slagers. Die maken lekkere hoofdvlak en worsten en zo. Dit doet niet erg veel aan het feit dat ik wel van Willy Sommers hou. Doch hou ik ook erg veel van hoofdvlees. Niet erg onbelangrijk om weten dat Vlaamse zangers en slagers erg inspirerend kunnen zijn in de kwaliteit van hun werk.

De dag zet zich onverhoopt verder.

Ik trek mijn zwarte begrafenisplunje aan en scheer me, nadat ik nog steeds onzin zingend, mezelf heb opgefrist met het water uit de kraan. Uit mijn kranen vloeit nog steeds water. In tegenstelling tot enkelen die beweren dat er uit hun, nep-gouden, kranen Veuve-Clicot stroomt. Net als de stront die hun hoofden vullen. Defeacatie door andere idioten in hun kop gedropt. Afval dat nu uit hun monden stroomt in gulpen stinkende opschepperij over hun heerlijke leventje. Een leventje in een utopische droom van bedrog. Onecht. Onthecht.

De vrouw die overleden is was nuchter in haar leven, nuchter ook verliet ze het. Veel te vroeg. Ik haat het als mensen met inhoud sterven en dit leven moeten verlaten. Liefde is misschien giftig maar er is er nooit genoeg te vinden. Ze was nog een moeder, een grootmoeder, een echtgenote ook. Een zorgzame vrouw met liefde in haar hart en hoop dat leven deed. Ze had niets tegen vrijdagen, of, gelijk welke andere dag. Ze was gelukkig met elke dag die haar was gegeven.

Erg bewonderenswaardig en heel erg zinvol. Ook op een vrijdag die de hele dag lang zal duren. Dat weet ik zonder weg te dromen.

Dagen van verdriet in een kleine rouwzaal kondigen weinig goede zaken aan. Meestal duurt de gedachte aan zo’n viering ook de hele dag lang. Wie heeft er in godsnaam bedacht om een rouwdienst een viering te laten heten. Weinig vieren doet men over het heengaan van een medemens.

Positiviteit is een goede zaak. Zakelijk gezien is dat wel zo. Toch nuchterheid doet me beseffen dat het een idiote gedachte is om het glas te heffen op een mens die is heengegaan. Toch open ik de fles en breng een toast uit op het leven. Daarna vertrek ik richting daar waar ik liever niet zou willen zijn. Doch ben ik ook een mens en ik ga waar ik denk dat ik moet zijn. Rouwende mensen verdienen steun in hun verdriet. De toast op het heengaan komt wel na het verwerken. Dat weet ik. Ook al ben ik nog steeds in rouw. Ik berouw mijn zwarte gallige gedachten over leven en dood niet.

Zo erg is het niet als men van leven een kunstwerk weet te maken.

“Ach” Denk ik. “Zo erg is het allemaal niet.” Het leven op vrijdagen gaat gewoon voort. Ik nam afscheid van haar en de familie nadat ik een foto nam van één van haar kunstwerken. Uit klei gevormd met haar handen die het werk betekenis en kracht in hadden geblazen en in zekere zin tot leven hebben gebracht.

Fier was ze toen ze mij ooit haar kleine atelier toonde waar ze werkte aan haar kunstwerkjes. Ik kan die dag niet vergeten en de eer die me was toegedaan om te mogen aanschouwen het werk van een kunstenares. Het oeuvre van kunstenaars is iets heiligs. Weinig die er de eer van inzien. Kunst is als muziek van Willy Sommers. Ook wel van Belcanto of, een andere zanger die geen bullshit loopt te verkondigen als ik. Zij had het meer voor BeeGees in hun vroege periode. Een dame met smaak.

Tranen tonen doet me niks meer en ik verlaat aldus huilend het tafereel van het leven in de dood. Ik weet dat het bidprentje, dat ik zonder te lezen in m’n jaszak heb gestopt, naast de anderen zal komen te staan. Een kaars brandt voor jou en alle anderen. Het beeldje van “Koen Vanmechelen” , rechtstreeks uit Ieper geïmporteerd (Uit het kunstwerk aan de palingbeek ter nagedachtenis van de zeshonderdduizend Belgische gesneuvelden tijdens de eerste grote oorlog.), staat prachtig naast de anderen aan ons leven onttrokken, het aardewerk waar jij zo van hield heeft toch een beetje kleur aan je heengaan. Ik maak nog een laatste kruisteken voor ik terug de deur uitga op weg naar ergens waar ik voel te moeten zijn.

Op weg zijn.

Doelloos hoeft niet steeds zinloos te zijn. Het ontbreken van een doel op zich is niet loos in een leven dat een zoektocht blijkt te zijn. Zoeken is warempel een doel op zich? “Tiens” Mijn denken, hoe zinloos het ook moge zijn, geeft het leven kleur en doet me afdwalen van de filosofische drek die mijn hoofd heeft gevuld doorheen de jaren op weg naar wasdom. Ik betwijfel ooit tot volwassenheid te komen. Ik hou van de kinderlijkheid waaraan ik onderhevig ben. De onzin spui ik de iele lucht in, luidop , in frasen zonder enige inhoud, teksten van mijn innerlijke kind, een kind dat nooit tot wasdom zal ontplooien omdat ik graag kinds wil blijven terwijl volwassenen enkel pretenderen de waarheid in zich te dragen. Dat is pas loos van enige zinvolheid.

Ik ga de plee opzoeken in een café langs de snelweg van het leven. Een weg naar nergens. Braak mijn ongenoegen uit. Ik kuis mijn boeltje echter netjes op en laat de uitwerpselen van de volwassen man die net het schijthuis heeft verlaten naast de pot liggen. Mensen die naast de potten zeiken en schijten hoeven op mij niet te rekenen. Ik sla de aangeboden borrelnootjes voor wat ze zijn. En denk aan de idioot van het schijthuis.

Ik schijt niet naast hun hoofden als ik zin heb om met schijt te werpen maar knal m’n bruine lichaamsafval steeds recht op hun kop. Een raad die ik uit mijn tijden als legionair ingeprent kreeg door mijn commandant die veel onzin uitbraakte en meende dat je raak moet schieten in één keer. Slechts één kans heb je, de kans dat je het volgende schot kunt lossen na een misstreffer is klein want het schot van de ander zou zomaar eens raak kunnen zijn. Een erg leuke man was die klootzak van het legioen.

De hoofden van de trouwe klanten van drankgelegenheden zitten toch al vol van stront, uit sociale media, rioolkranten en de nationale tv of, uit de smoelen van de zakkenvullende politieker. Dus schijt ik er maar op los. Ik tref altijd raak zoals me door een idiote legionair werd geleerd.

Mensen die niet in staat zijn eigen meningen en ideologieën te vormen zijn beschijtenswaardig. Ik hou die gedachte vast en verlaat het café zonder een cent te laten, zonder consummatie ook. Waarom zou ik betalen voor een vuile boel kak in een toilet dat ik zelf uit menselijk respect enigszins proper heb nagelaten met uitzondering van de smeerboel van een man die nu grootheidswaanzin staat te verkondigen aan de bar. Ik keer terug op mijn stappen en vraag wat het gebruik moest kosten. Uit beleefdheid. De waardin vertelde me dat ik me niet schuldig moest voelen over de man die niet kon mikken.

Ik bedankte haar voor zoveel inzichtelijkheid en tegen alle redelijkheid smeet ik een euro op de bar met de mededeling een wc dame in te schakelen. Ik ben altijd al zeer vooruitstrevend geweest in het bedenken van oplossingen van bescheten problemen. Het heeft me meer geld gekost dan ik er aan verdien maar “ach wat”. Ik weet ook wel dat de euro vanavond in de twee blikken cara pils zullen verdwijnen in de zakken van de Indische maffia met bijbehorende nachtshops die rond een uur of tien reeds de deuren sluiten. Het wijf zal zich nog moeten haasten om haar pils en dat maakt me intens gelukkig.

Geluk is in de kleine zaken terug te vinden. Ik voel geen enkele rancune jegens mijn uitdagende gedrag. Waarom zou ik op een vrijdag die net als alle andere vierentwintig uur duurt zorgen maken in futiliteiten. Men moet vierentwintig uren eens nuttig proberen vol te maken. Ik zeg u dat dat een onprettig gedacht is maar misschien is er wel iets in te vinden dat je gelukkig zou kunnen maken. Dus maak je de rest van de dag gewoon af.

Van schijt naar constructiviteit op een troosteloze dag.

In een beeld, een schepping, een creatie waar zinvol aan is gevormd, geboetseerd, gebakken in de oven van een liefdevol hart is veel te vinden. Ik denk aan het bidprentje en schrijf een gedicht.

Is dichten kunst dat waardig is om met een beeld te worden vergeleken. Er naast te staan. Is een gedicht even beeldend dan de abstractie van geboetseerde klei?

Poëzie komt uit het hart. Het wordt gevormd en geboetseerd door woorden. Het is een werk, je moet er iets aan doen. De interpretatie is niet aan de poëet maar aan de toeschouwer voor wie het is gemaakt.

De avond valt en ik schrijf verder aan mijn andere tekst in constructie. Uit alle schijt die ik vandaag op mijn doelloos pad heb achtergelaten blijft enkel de herinnering aan een vrouw en haar fantastische kroost over.

De gedachte dat kunstenaars geen brood maar liefde bakken zorgt dat om een uur of twaalf de zaterdag met een positief gedacht begint.

Life goes on.

Deze tekst is voor een bijzondere familie die mijn leven heeft gevormd in mijn jeugd. Mensen die positief hebben bijgedragen tot de man die ik nu ben. Mijn liefde, mijn troost, mijn dank gaat dan ook uit naar hen en naar Milène Van Daele. Veel te vroeg terug in de handen genomen. Handen waar je naam staat geschreven in de oneindigheid van zijn beschermende palm.

De toekomst brengt ons samen in de liefde die je aan anderen hebt gegeven.

Sommige zaterdagen hebben erg goede gedachten in zich zitten. Ook al duurt de zaterdag slechts…

Voor Milène, Franky, Nico, Kristof, je kleinkinderen en je dierbare familieleden

Thomas Haghenbeek

Advertenties
Categorieën: ADHD en creatief schrijvenTags: , , , , ,
%d bloggers liken dit: